Verhaal

In de waterrijke gebieden zoals rond Vinkeveen, Mijdrecht, Kamerik, Maarssen, Loosdrecht en ook Veenendaal ontstonden meertjes en plassen waarin riet en andere planten groeiden. De dode plantenresten stapelden zich op, maar verteerden niet, waardoor in de loop der tijd een dikke laag veen ontstond. Wanneer dit veen werd gedroogd, kreeg je turf dat als brandstof gebruikt kon worden.

 

 

 

Turfwinning

In het noordwestelijk deel van de provincie begon serieuze turfwinning in de 12de eeuw; rond Veenendaal kwam de turfwinning pas in de 16de eeuw van de grond. Door de veenontginningen zijn soms meters grond afgegraven en is het landschap drastisch veranderd.

Brandstof

Rond Veenendaal was sprake van hoogveen: het veenmos werd boven de waterspiegel gevormd. In de andere delen van de provincie was er voornamelijk laagveen: het veen groeide onder de waterspiegel. Uiteindelijk leverden zowel hoog- als laagveen na droging brandstof op. Vanaf de 17de eeuw werd de vraag naar turf groot. Het werd niet alleen in het huishouden gebruikt, maar ook steenfabrieken hadden turf nodig om de stenen te bakken voor de bouw van huizen en vestingwerken. Ook andere industrieën hadden veel behoefte aan brandstof zoals bierbrouwerijen, zoutziederijen, blekerijen, ververijen en katoendrukkerijen.

Concurrentie

Eind 18de eeuw liep de productie van turf terug. De veenvelden raakten uitgeput: het meeste veen was zover afgegraven dat er soms grote waterplassen waren ontstaan. Daarnaast kwam er concurrentie van nieuwe brandstoffen. Zo was eind 19de eeuw het goedkopere steenkool op grote schaal beschikbaar. Turf werd rond 1900 nog voor eigen gebruik gewonnen. Alleen de beide Wereldoorlogen zorgden nog voor een opleving: in tijden van schaarste is elke brandstof immers meer dan welkom. Bij Vinkeveen werd pas in de 20ste eeuw ontveend. 

meer
meer