Verhaal

De Romeinse castella langs de limes trekken veel burgers aan: er kan goed verdiend worden aan de hulpsoldaten. Een keur aan Gallo-Romeinse en inheemse handelaars en ambachtslieden vestigt zich even buiten de forten om de Romeinen te voorzien van voedsel en andere diensten.

Langgerekte nederzettingen ontstaan langs de uitvalswegen van de castella. Een kampdorp, dat vooral uit houten huizen, winkels en werkplaatsen bestond, werd een vicus genoemd. De winkels en werkplaatsen werden naar de kant van de weg gericht zodat men in één oogopslag kon zien wat de eigenaar te bieden had. Naast handel vond er ook veel ontspanning plaats. Dit gebeurde in het -vaak aanwezige- badhuis en in de kroegen. Vóór 200 na Christus mochten de soldaten tijdens hun diensttijd niet trouwen, maar de soldaten gingen wel onwettige relaties aan met inheemse vrouwen. Zij woonden vaak ook in het kampdorp met de kinderen.

Tastbaar

Tastbare sporen van een vicus zijn aangetroffen bij de castella van Vechten, Utrecht, Vleuten-De Meern en Woerden. De Vechtense vicus was zeer uitgestrekt: ongeveer 10 hectare, bij een legerkamp van 2,6 hectare! In Utrecht lag de vicus zowel ten oosten als ten westen van het castellum, respectievelijk 2,2 en 1.6 hectare. In het vermoede kampdorp van Vleuten-De Meern zijn resten van een badhuis gevonden.

Verlaten dorpen

Het leger trekt zich in de loop van de derde eeuw terug uit de limes. Met het leger verdwijnt ook de belangrijkste inkomstenbron van de handelaren en ambachtslieden. Ook de vici lopen dus leeg. Mogelijk ging een deel van de bewoners gewoon achter de Romeinse troepen aan. 

meer

verhalen

Gerelateerde objecten

meer