Verhaal

Achter de Dom vind je de Pieterskerk, één van de oudste Germaans-Romaanse kerken van de stad Utrecht. De bouw begint in 1039 en op 1 mei 1048 is de kerk voltooid. Bisschop Bernold, de stichter van de kerk, wijdt deze officieel in. Zijn stenen grafkist is nu te vinden in de bijzondere crypte, onder de Pieterskerk. De kerk kent een rijke geschiedenis en bijzondere karakteristieke kenmerken. Voor wie graag in het duister tast moet zoeken naar een luik in de muur waarachter zich een heel mysterieuze schedel bevindt.

De Pieterskerk maakt deel uit van het ‘Kerkenkruis’ van Utrecht, waarin de Dom centraal staat en de Pieterskerk het oostpunt vormt. Deze kerk is een van de meest compleet bewaarde romaanse kerken in Utrecht. Veel bijzondere kenmerken zijn nog aanwezig en maken de van oorsprong kapittelkerk een interessante bezienswaardigheid. Typisch voor deze romaanse bouwstijl zijn onder anderen de vier zandstenen reliëfs die aan de weerszijden van de trap naar het koor zijn geplaatst. Ook bekend is de crypte onder het koor, waar de sarcofaag van Bisschop Bernold staat. Er zijn echter niet veel mensen die de raadselachtige schedel van de Pieterskerk hebben ontdekt.

Een Heilige…?

In 1970 wordt de schedel aangetroffen, tijdens een onderzoek naar de grafkamers van de Pieterskerk. Merkwaardig is dat de schedel in een bijzonder goede staat verkeert, maar de rest van het skelet ontbreekt volledig. Het ware mysterie is echter de donkere tekens die te zien zijn op het voorhoofd: Een kruisteken en de hoofdletter ‘Z’. Hoe en wanneer zijn deze merktekens ontstaan? Wat betekenen ze? De vondst roept meer vragen op dan antwoorden.
Het kruisteken en de vindplaats van de schedel wekken de indruk dat de brandmerken een religieuze betekenis kunnen hebben. De schedel is misschien een reliek geweest, meegenomen of gezonden vanuit het Heilige Land. Het zou dan de schedel geweest kunnen zijn van een vroom man, bijvoorbeeld een gesneuvelde Utrechtse ridder. Het brandmerk zou dan een ‘zegel van Gods aan het voorhoofd’ kunnen zijn. De hoofdletter ‘Z’ kan hiermee echter niet verklaard worden.

…Of een bandiet?

De tekens zijn op het voorhoofd gebrandmerkt terwijl de man nog in leven was. Maar waarom? Een andere mogelijkheid is dat hij een misdadiger was. De brandmerken waren wellicht zijn lijfstraf die hij moest ondergaan voor zijn daden. Over deze theorie ontstaan al snel veel meningsverschillen. Waarom zou een gebrandmerkt misdadiger in een kerk begraven worden, tussen de vrome en eerbiedwaardige heren? Daarbij komt dat er in het noorden van Europa vrijwel nooit op het voorhoofd wordt gebrandmerkt. Brandmerken op het voorhoofd komen echter wél vaak voor in de zuidelijkere gebieden van Europa (vanaf Frankrijk en in Hoogduitse landstreken). Een brandmerkstraf die bestaat uit een kruis op het voorhoofd, gecombineerd met de letter Z, komt voor zover men kan nagaan in slechts één wet voor: een Castiliaanse wet uit 1387 die uitgeoefend wordt op zogenaamde ‘bigamisten’.

Bigamie

Castilië is een landstreek in Spanje die in de middeleeuwen lange tijd bezet is door de Moren, islamitische volkeren die voornamelijk uit Marokko afkomstig zijn. Het hebben van een tweede vrouw is in die tijd heel normaal geworden voor de Spanjaarden. Hieraan komt een einde na de verdrijving van de Moren en de wederopstand van de macht van de christelijke kerk. De kerk probeert de bestaande dubbele huwelijken met harde hand uit te roeien. De straf voor het hebben van twee vrouwen, ofwel bigamie, is het branden van een christelijk kruisteken op het voorhoofd, in combinatie met een tweetallig teken dat op bigamie wijst. De letter ‘Z’ zou dus ook zomaar de oude Gotische ‘2’ kunnen zijn! Het is mogelijk dat de schedel toebehoorde aan een Castiliaanse bigamist. Wellicht is hij na zijn straf naar het noorden gevlucht of zelfs verbannen.

Aanvullende literatuur

- Cate, C. L. ten, 1971: De schedel uit de Pieterskerk te Utrecht, Westerheem, jg. 20 (1971), p. 213-223.
- Haneveld, G. T., 1972: De schedel uit de Pieterskerk te Utrecht: sporen van een medische behandeling?, Westerheem, jg. 21, p. 32-36.

meer

verhalen

meer