Verhaal

Een bijzondere bedrijfstak kwam in de provincie Utrecht pas rond 1900 tot volle wasdom. De moderne bedrijfsvorm NV maakte het mogelijk dat kleine Utrechtse familiebedrijfjes in de fijn metaal uitgroeiden tot grote spelers, van instrumentmakers tot tafelzilver. Maar zoals voor wel meer industrieën geldt, is het ook hier goed zoeken naar sporen die aan dat verleden doen herinneren.

Auteur: Bert Poortman, USINE

De stad Utrecht heeft door de jaren heen verschillende instrumentmakers gekend. De aanwezigheid van de universiteit, het Academisch Ziekenhuis en het Ooglijdersinstituut leidde automatisch tot veel klandizie. Daar kwam nog eens bij dat gedurende de Eerste Wereldoorlog het importeren van instrumenten steeds ingewikkelder werd en de Nederlandse fabrieken als vanzelf werden ingeschakeld door laboratoria, tandartsen, artsen, dierenartsen, opticiens, ziekenhuizen en het onderwijs. Inmiddels is die maakindustrie grotendeels verdwenen en hebben de panden van deze instrumentmakers geheel andere functies gekregen. Zo doet het pand van Marius in Utrecht tegenwoordig dienst als supermarkt.

Paneelmeters en omvormers

Een van de instrumentenfabrieken die wel overeind is gebleven, is het bedrijf dat in 1910 begon als Nederlandse Instrumenten Fabriek in de stad Utrecht. Vanaf 1913 werd dit de Nederlandse Instrumenten en Elektrische Apparaten Fabriek (NIEAF), gespecialiseerd in paneelmeters, omvormers en draagbare meetinstrumenten voor elektrische installaties. De Eerste Wereldoorlog veroorzaakte eerst de nodige problemen voor het bedrijf, maar vanaf 1916 werd het juist steeds drukker. Ook de fabrikanten van automobielen en van vliegtuigen vroegen naar de NIEAF-meters. Vandaag de dag is het bedrijf nog steeds gevestigd in Utrecht, al heet het inmiddels Mors Smitt.

Edelsmederij Brom

Een andere bekende Utrechtse fijnmetaalfabrikant was de in 1856 opgerichte Edelsmederij Brom, die kerkelijk vaatwerk en andere katholieke versierselen produceerde en daarmee volop profiteerde van de emancipatie van de katholieke kerk in de 19de eeuw. Kinderen en kleinkinderen zetten het bedrijf voort, tot het vanwege gebrek aan opvolging én de teruglopende vraag naar kerkelijk zilver in 1961 de deuren sloot. Een schoorsteen in de Keizerstraat in de stad Utrecht is al wat er nu nog van over is.

Tafelzilver

Nog weer een andere tak in de fijn metaal was het tafelzilver. In de 19de eeuw huisden de firma’s Van Kempen en Begeer al in Utrecht, maar het was Zeist dat zich in de eeuw daarna presenteerde als de bakermat van de Nederlandse zilverindustrie. Dat begon in 1903 toen de Amsterdamse edelsmid J.A.A. Gerritsen er een oude rijwielfabriek kocht van de Evangelische Broedergemeente (Hernhutters), waaruit twee fabrieken (Sola en Gero) voortvloeiden. In die twee fabrieken waren op het hoogtepunt bij elkaar opgeteld liefst tweeduizend mensen werkzaam, maar nu herinneren alleen enkele fabriekshallen en een schoorsteen nog aan de hoogtijdagen van deze bedrijfstak.

meer
meer