Verhaal

De Rijn en de parallel lopende weg op de zuidoever vormen in de Romeinse bezettingstijd een belangrijke verkeersader voor de legertroepen. Mogelijk al onder keizer Caligula (37-41n.C.) voorzien de Romeinen deze voor hen zo belangrijke doorvoerroute van nieuwe militaire versterkingen, die het castellum Fectio en de castra bij Nijmegen moeten aanvullen.

De meest gunstige plekken worden uitgezocht voor de bouw van de Romeinse castella. Ze leggen hun forten aan op stroomruggen van de Rijn, hoog, droog en zo veilig mogelijk voor overstromingen. De plek moet ook mogelijkheden bieden om goederen te lossen of zelfs om een haven te bouwen. Dat is belangrijk voor de aanvoer van goederen en om te dienen als uitvalsbasis voor de classis Germana, de Romeinse vloot. De castella liggen ook in Utrecht steeds bij de mondingen van vaarwegen die ze moeten bewaken.

Reparaties en renovaties

De vroegste Utrechtse castella waren opgetrokken uit hout en aarde. Door de terugkerende overstromingen moesten de forten namelijk regelmatig worden opgehoogd en gerepareerd. Na de Bataafse opstand in 69-70 n.C. werden de meeste Utrechtse legerkampen zelfs helemaal opnieuw opgebouwd. De jongste versie van elk castellum is nu grotendeels van steen: in elk geval de omringende verdedigingsmuur en de fundamenten van de gebouwen.

De namen van de Utrechtse castella kennen we van de middeleeuwse kopie van een laat-Romeinse reiskaart, de ‘Peutinger kaart’. Deze vermeldt de namen Lauri(Laur(i)um, Woerden) en Levefanum (Rijswijk). Het castellum bij Vleuten-De Meern kan mogelijk worden geïdentificeerd als Fletione (Fletio) op de kaart. Deze naam is ook gekoppeld aan het castellum bij Bunnik-Vechten; het zou dan een verschrijving zijn van de naam Fectio, die op een altaarsteen uit diezelfde plaats is aangetroffen. Het castellum van Utrecht, Traiectum, ontbreekt op de kaart van Peutinger. Die naam is bekend uit andere bronnen.

Ongeschikt drassig landschap

Het Utrechtse landschap heeft veel effect gehad op de omvang van de Utrechtse castella. In vergelijking met de overige forten langs de Rijn zijn die in Utrecht erg klein: hooguit 80 bij 140 meter groot. Alleen het oudste castellum in Vechten is met zijn omvang van 2,6 hectare een uitzondering. Een belangrijke oorzaak voor de bescheiden omvang van de castella was het landschap, bestaande uit stroomruggen en natuurlijke zandverhogingen. Het landschap bood weinig ruimte en was vanwege haar drassigheid ook nog eens ongeschikt voor zware bebouwing.

Halverwege de eerste eeuw krijgen de castella in het hele Romeinse rijk een standaardindeling. Een standaard castella heeft een hoofdweg, de via principalis, met haaks daarop een dwarsweg, de via praetoria, die loopt van de hoofdpoort naar het hoofdkwartier, de principia. Hier bevinden zich de administratieve ruimten en het vaandelheiligdom, het sacellum, waar de veldtekens van de eenheid staan opgesteld. Ook staat daar een beeld van de regerende keizer. In het complex bevind zich ook een echt heiligdom: een tempel met een altaar.

Buiten de muren

De overige gemeenschapsgebouwen binnen het kamp zijn het hospitaal, werkplaatsen, schuren en stallen. Rond het hele castellum is een muur opgetrokken, met daarachter één of twee v-vormige droge grachten. Buiten de muren bevindt zich het kampdorp, de vicus, waar ook vaak een badhuis is. De grafvelden liggen daar weer een stukje buiten. Waarschijnlijk vinden hier zowel Romeinen als inheemse bewoners hun laatste rustplaats.

De manschappen verbleven in barakken van zo’n 7 bij 3 meter. Ieder contubernium – een leefgemeenschap van zes tot acht soldaten - had een haardplaats, waar kon worden gekookt. Een scheidingswand verdeelde het vertrek in een deel voor bagage en uitrusting (de arma) en een deel voor koken, eten en slapen (de papilio). Verblijven in een castellum: comfortabel is anders. De centurion, leider van ongeveer 80 soldaten, trof het beter met een woning aan het einde van de barakkenrij. De commandant heeft een ruim onderkomen voorin het kamp.


 

meer
meer