Verhaal

De tuin is voor ons de plaats om in de buitenlucht te ontspannen en te genieten van bloemen en planten. Bij boerderijen, buitenhuizen en kastelen zien we ook tuinen met een praktisch doel: voedsel produceren.

Door Elian de Jonge

De praktisch ingedeelde tuin had verschillende gewassen in afgescheiden vakken. Naast groenten, (geneeskrachtige) kruiden, geurige planten, sierplanten en -bloemen waren er fruitboomgaarden. Daar groeiden appels, peren, pruimen, abrikozen of kersen. Verhoogde kweekbedden gaven de vorst minder kans. Eigen consumptie was het voornaamste doel. Ook de 17e-eeuwse buitenplaatsen van de rijke Amsterdammers hadden moestuinen.

Mooiste slangenmuur

De Hollandse classicistische tuinaanleg volgde begin 17e eeuw de voorbeelden uit het buitenland, zoals Italië. Binnen een overzichtelijke rechthoek waren de ideale maatverhoudingen van de renaissance belangrijk; het ging om harmonie en symmetrie. Huis en tuin vormden één geheel. Lanen, paden en waterpartijen vormden compartimenten. Gebruik van sierplanten was beperkt. Wel waren er ‘parterres de broderie’ (‘borduurwerkjes’), lage, slingerende buxushagen.. De mooie patronen waren vanuit het huis goed te bewonderen. Een bijzonder fenomeen is de slangenmuur; een meanderende, gemetselde bakstenen muur, waartegen aan de zuidzijde leifruit groeide; fruitbomen waarvan de takken langs een houten rek werden geleid. Zonnewarmte bleef hangen in de holten van de muur, waardoor het fruit sneller rijpte. Een van de mooiste slangenmuren van Europa, uit 1742, is te zien bij Slot Zuylen.

De Franse tuin

In de tweede helft van de 17e eeuw ontwikkelt zich de Franse tuin in Nederland. Mogelijk introduceerde de Franse architect Daniël Marot deze stijl na 1686 aan het hof van Willem III van Oranje. Als in Versailles werd de middenas van de tuinen veel langer, met zij-assen aan weerszijden. De genoemde ‘parterres’ werden nu rijk beplant met bloemen. Zichtassen creëerden perspectief en diepte. Naast vijvers en fonteinen was er een ‘grand canal’. Speelse elementen verhoogden het recreatieve karakter: een tuintheater, een theekoepel, een schelpengrot, een doolhof en in bijzondere vormen gesnoeide heesters. Al rustend bewonderde de wandelaar de tuinbeelden en -vazen. Het groen beschermde ook tegen de zon; alleen de gewone landarbeider onderscheidde zich door een kleurtje.

De eerste ananas

Rijke burgers hadden een brede belangstelling. In de eeuwen van Renaissance en Verlichting verzamelden zij exotische voorwerpen, dieren en planten. Mede dankzij de V.O.C. bereikten die Nederland vanuit de hele wereld. Agnes Block - nicht van Joost van den Vondel - stichtte rond 1670 buitenplaats Vijverhof aan de Vecht bij Nieuwersluis. Als amateurbotanicus leefde zij zich uit in haar moestuin, boomgaarden, bloementuin en oranjerie. De verwarmde oranjerie bood ’s winters (of permanent) onderdak aan kwetsbare gewassen, zoals subtropische sinaasappel- en citroenboompjes. Daar bracht Agnes - als eerste in Nederland - een ananas tot bloei. In Utrecht waren de tuinen van Slot Zeist een perfect voorbeeld van een Franse tuin. Bij Paleis Het Loo is zo’n tuin in ere hersteld. Vanaf halverwege de 18e eeuw zal de Engelse landschapstuin echter dominant worden.

meer
meer