Verhaal

Bij hennep denk je al snel aan hasj. Maar de hennepsoort die rond Oudewater werd verbouwd, werd gebruikt om touw van te maken. Daar was veel vraag naar door de groeiende scheepvaart en visserij. De touwindustrie legde Oudewater in de zestiende en zeventiende eeuw dan ook geen windeieren.

 


De groeiende scheepvaart vanaf de zestiende eeuw en de visvangst hadden een grote behoefte aan touw tot gevolg. Touw wordt gemaakt van hennep. Vooral rondom Oudewater, Woerden en in de Lopikerwaard concentreerde zich de hennepteelt en de touwindustrie. Het touw voor de scheepvaart en de visnetten werd vervolgens over water naar Amsterdam vervoerd, waar de grootste scheepswerven lagen. Om dat vervoer over water niet te hinderen, werden in de polder kwakels gebouwd, hoge bruggetjes voor de voetgangers. Vanaf de zestiende eeuw legden de burgers van Oudewater zich toe op de touwindustrie. Het werd de basis van de welvaart van het stadje. De inwoners van Oudewater werden spottend 'geelbuiken' genoemd, vanwege de voorschoten van de arbeiders, die door de hennep geel gekleurd werden. Nog tot in de twintigste eeuw werd er rond Oudewater touw geproduceerd.

Lijnbanen en baanschuren

Om touw te maken moeten eerst de hennepvezels worden gehekeld, uitgekamd. Uit de gehekelde vezels wordt dan de eerste draad gesponnen. Deze draden worden ingespannen op de lijnbaan en door het draaien van het wiel om een klos getwijnd. Het garen dat dan ontstaat, kan opnieuw worden ingespannen en getwijnd, zodat een steeds dikkere kabel ontstaat. Dat gebeurde op lijnbanen in de open lucht. Bij elke lijnbaan hoorde een baanschuur, waar hennep, garen, klossen en hekels werden opgeslagen en waar ook het grote wiel van de lijnbaan stond. Het touw voor zeeschepen werd gemaakt op grootgarenbanen van minstens 220 meter lang. Die lengte was nodig om de afstand tussen de ra's van een schip te kunnen overbruggen. Het touw voor visnetten en henneplinnen, dat voor zeilen kon worden gebruikt, werd gemaakt op kleingarenbanen. Voor een kleingarenbaan was een achtertuin van 50 meter al voldoende. Door de uitvinding van het haringkaken werd er meer gevist en was er dus ook veel vraag naar hennepgaren voor visnetten.

Teruggang

De touwindustrie liep na 1672 terug: in 1682 waren er nog maar 27 grootgarenbanen en in de loop van de achttiende eeuw liep dit aantal nog verder terug. Daarna vond weer een opleving plaats: in 1816 waren er in Oudewater 49 groot- en kleingarenbanen, waar in totaal 450 mannen, vrouwen en kinderen werkten. Dit waren waarschijnlijk vooral kleingarenbanen: er was in deze tijd veel vraag naar kleingaren voor de visserij. Ter vergelijking: er waren in 1816 nog zes lijnbanen in Montfoort, een in IJsselstein en een in Schoonhoven. Rond 1880 was juist buiten Oudewater de Touwfabriek Van der Lee gebouwd, waar machinaal gewerkt werd.

Stank

Niet alleen in Oudewater werd veel hennep gekweekt. De boeren in Benschop hadden ook veel akkertjes met hennep ingezaaid. In de zomer stonk het dan ook behoorlijk in de Lopikerwaard, als de hennep in de sloten lag te ‘roten’. De belasting op hennep was een belangrijke bron van inkomsten voor de baron van IJsselstein. Dat stadje had een eigen touwbaan, maar die liep minder goed dan de Oudewaterse. Dat kwam omdat de waag van IJsselstein in Holland niet werd erkend en de lijndraaiers uit de baronie dus meer waaggeld moesten betalen dan hun concurrenten uit Oudewater.

Deze informatie is afkomstig van Utrechtse Canons. Bezoek de website voor nog veel meer mijlpalen uit het verleden van de provincie Utrecht.

Aanvullende literatuur

- B.R. Feis, H. Hoogendoorn, P.M. Stoppelenburg, Holland in touw. Hennepteelt en touwfabricage in het Groene Hart, Lopikerwaard 2002.

meer
meer