Verhaal

Geriefhoutbosjes worden ze genoemd: hakhoutbosjes die vaak in de laagste delen van een weiland zijn aangelegd. Het hout werd vaak gebruikt voor het eigen gerief; een boer had vroeger veel hout nodig om de kachel brandend te houden of voor het maken van gereedschapsstelen. Maar waarom worden sommige geriefhoutbosjes aangezien voor pestbosjes?

Geriefhoutbosjes komen in onze provincie vooral voor in het westelijk deel. De bosjes zijn vaak al van ver zichtbaar in het open veenweidelandschap. De bomen en struiken die in zo’n geriefhoutbosje staan, worden eens in de tien à vijftien jaar 'afgezet'. Afzetten is het dicht bij de grond afzagen van bomen. Deze werkzaamheden worden in de wintermaanden uitgevoerd. Het deel van de boom dat blijft staan, gaat in het voorjaar vanzelf weer uitlopen. De nieuwe takken die zich vormen, worden na tien jaar opnieuw afgezet. De takken kunnen voor allerlei toepassingen worden gebruikt. Vroeger was dat voornamelijk voor brandhout (wilgenhout), gereedschapsstelen (essenhout) en bezems (berkentakken). Tegenwoordig wordt het hout gebruikt als brandhout voor de open haard.

Pestbosjes?

Omdat ze een soortgelijk aangezicht hebben, worden geriefhoutbosjes en pestbosjes regelmatig met elkaar verward. Maar pestbosjes hebben een heel andere functie dan geriefhoutbosjes. Sommige bosjes worden soms door een sloot gescheiden van de rest van het (wei)land. Dit om te voorkomen dat vee in het bosje gaat struinen. In de 19de eeuw had de sloot ook de functie om gezond vee weg te houden uit de bosjes. Toen waren er zo nu en dan veepestepidemieën en de dode dieren werden dan op een veilige afstand van het erf begraven. De bosjes dienden dus als begraafplaats voor het dode vee, en zo ontstond de naam pestbosje. Destijds was het verplicht om de dode dieren te begraven. Halverwege de 19de eeuw werd het mogelijk vee in te enten tegen allerlei besmettelijke en dodelijke veeziekten. Dit heeft er voor gezorgd dat vee niet meer massaal afgemaakt hoefde te worden en in het weiland begraven. De begraafplicht werd dan ook in 1855 afgeschaft.
Zulke pestbosjes zijn in het westen van Utrecht echter niet te vinden, omdat dit gebied in tegenstelling tot bijvoorbeeld Friesland gespaard is gebleven van grote veepestepidemieën.

Ecologische rijkdom

Naast het cultuurhistorische aspect hebben de geriefhoutbosjes een belangrijke landschappelijke en ook ecologische functie. In geriefhoutbosjes in het veenweidegebied komen plantensoorten voor als bloedzuring, gewone engelwortel en kleine watereppe. Ook dotterbloem, echte valeriaan, moeraswalstro en penningkruid zijn er aan te treffen. Er broeden vogels zoals braamsluiper, fluiter, glanskop, grasmus, tuinfluiter en winterkoning. Zoogdieren die zich voortplanten in geriefhoutbosjes zijn onder andere dwergspitsmuis, waterspitsmuis, gewone bosspitsmuis en wezel. De gewone dwergvleermuis zoekt in en langs geriefhoutbosjes naar voedsel. Er leven dikwijls amfibieën: de bruine kikker, de gewone pad en de kleine watersalamander. Vlinders, zoals het klein koolwitje, de eikenpage en de atalanta, vinden er voedsel en waardplanten om eieren af te zetten. Kortom: de bosjes bieden onderkomen en voedsel aan velen.


 

meer

meer beeld bij geriefhout

meer