Verhaal

Na 1870 telde de provincie Utrecht steeds meer fabrieken. Door vernieuwingen, zoals de komst van de stoomkracht, waren diverse beroepstakken gemechaniseerd. Maar een groot aantal ambachten ging vrijwel onveranderd door: in de landbouw, griendcultuur, touwslagerij en visserij bleef het werk grotendeels handmatig. Tot de Eerste Wereldoorlog veranderde dat ook nauwelijks.

Visserij

Het dorp Spakenburg was tussen 1860 en 1932 één van de vijf grootste vissersplaatsen aan de Zuiderzee. Rond 1900 bestond de vissersvloot uit ongeveer 200 schepen en het merendeel van de dorpsgenoten was werkzaam in deze beroepstak. Voor Spakenburg vormde de industrialisatie, die zich in Nederland vanaf 1870 inzette, nooit een echte bedreiging: de visserij bleef handwerk. De afsluiting van de Zuiderzee in 1932 en de daarop volgende inpoldering was van veel grotere invloed op het vissersleven. Veel vissers moesten toen pas omzien naar een nieuw beroep. Pas veel later in de 20ste eeuw werd de visserij volledig gemechaniseerd.

Landbouw

Tot 1900 veranderde het werk van de landbouwers nauwelijks. Er kwamen uiteraard modernere werktuigen en gereedschap, maar van echte mechanisatie was geen sprake. Pas in de loop van de 20ste eeuw werd de mechanisering van de landbouw werkelijkheid, waardoor veel boeren moesten omzien naar andere werkzaamheden. Tegenwoordig zijn kleine boerenbedrijven nauwelijks nog levensvatbaar. De meeste landbouwbedrijven zijn grootschalig en volledig gemechaniseerd.

Wilgen en hennep

Voor het zuidwestelijk deel van de provincie Utrecht was de touw- en griendcultuur lange tijd van grote economische betekenis. De hennepteelt en wilgengriend was eigenlijk een gevolg van de slechte afwatering in de polders. De meeste grond was daardoor namelijk ongeschikt voor akker- of landbouw. IJsselstein vormde het middelpunt van de griendcultuur waarin dorpsgenoten in de 19de eeuw en eerste kwart van de 20ste eeuw hun boterham verdienden. Oudewater was een belangrijk centrum voor de touwfabricage.

Eeuwenlang

Wilgenhout was geliefd vanwege de taaiheid van het hout, maar ook door de goede splijtbaarheid. Met de hand vlochten IJsselsteiners manden of bogen het hout tot hoepels voor tonnen en vaten. Uit de hoepmakerijen kwam rond 1900 een industrie voort: rond IJsselstein verrezen enkele grote meubelfabrieken. In Oudewater floreerden vooral de touwslagerijen. Het touw dat zij vervaardigden, werd vooral veel gebruikt voor de zeescheepvaart en visserij. Maar in deze beroepstak was geen sprake van mechanisering. De arbeiders die vanuit de baanschuur het touw sponnen, bleven dit doen zoals ze het al eeuwen deden.

meer
meer