Verhaal

De boerenzoon Johan Lagerweij is 9 jaar oud als in mei 1940 voor Nederland de Tweede Wereldoorlog uitbreekt. Tijdens de mobilisatie had hij al gezien hoe er in zijn geboortedorp Scherpenzeel, gelegen in de Grebbelinie, de militaire stellingen in opperste staat van paraatheid werden gebracht.

Door Gertruud van der Helm-Keeman

Na de Duitse invasie is het evacueren van het melkvee een van de eerste gebeurtenissen waaraan de kleine Johan merkt dat er grote veranderingen op komst zijn. Dat vee moet worden geëvacueerd omdat het midden in het schootsveld staat. Dat is niet alleen gevaarlijk voor de dieren zelf, maar ook strategisch onhandig: het zou immers gebruikt kunnen worden om achter te schuilen. Via Wijk bij Duurstede wordt het vee naar Zuid-Holland geleid. Gerard, Johans vader, smeert een beetje rode menie (een soort verf) op de koppen van zijn koeien in de hoop ze later te herkennen.

Na het vee moeten ook de mensen de Gelderse Vallei verlaten. Inwoners uit Scherpenzeel, Renswoude en Woudenberg worden geëvacueerd naar Noord-Holland. Ze verzamelen zich eerst op het treinstation Woudenberg/Scherpenzeel en gaan later naar een lege soldatenbarak bij een melkfabriek, waar ze slapen op uitgestrooid stro. Tijdens de evacuatie blazen Nederlandse militairen in de Grebbelinie boerderijen en huizen op die in het schootsveld staan. Vanuit de schuilplaats ziet Johan de rookpluimen boven de brandende boerderijen hangen.

Schapen

De familie Lagerweij komt op eerste pinksterdag aan in Alkmaar. Daar blijven ze een week bij een gezin in huis, tot de capitulatie van het Nederlandse leger. Daarna gaat het gezin met een gehuurde bus terug naar de Gelderse Vallei. Hoe dichter ze bij huis komen, hoe meer noodbruggen en kapotte huizen, molens en boerderijen Johan ziet. De boerderij van de familie Lagerweij is flink beschadigd en bovendien is de omgeving bezaaid met granaten, waardoor de kinderen in het begin niet van het erf af mogen.

Vader Gerard levert de achtergelaten geweren in en begint met het herstellen van het boerenbedrijf. Maar een klein deel van het geëvacueerd melkvee keert terug uit Zuid-Holland, waarop Gerard schapen aanschaft. In de hele Gelderse Vallei  wordt gewerkt aan het herstellen van de schade. Huizen worden weer bewoonbaar gemaakt en er worden noodwoningen gebouwd, onder andere van het stellinghout uit de loopgraven. Lichamen van gesneuvelde soldaten worden opgegraven en op de Grebbeberg herbegraven.

Verzet

Tot september 1944 is het vrij rustig rond de Grebbelinie. Maar dan gaan de Duitsers de Grebbelinie, die zij de Pantherstellung noemen, opnieuw voor verdediging inrichten. Ze bouwen er bunkers, later worden ook burgers gedwongen om hieraan mee te werken. Inmiddels  zijn bij Johan thuis leden van het verzet ondergedoken die de Pantherstellung en de positie van de Duitsers onderzoeken. Maar de uitkomsten daarvan komen nooit bij de geallieerden terecht, want in december doen de Duitsers een inval en vinden het gehele verslag. Iedereen wordt afgevoerd en verhoord. Zeven mensen, onder wie de vader en twee ooms van Johan, overleven het niet; ze sterven uiteindelijk in concentratiekampen.

Johan en andere gezinsleden die na het verhoor zijn vrijgelaten, brengen de winter door bij familie. Eind april, als een groot deel van Nederland al is bevrijd, moet Johan opnieuw uitwijken naar een veiliger gebied. Deze keer naar Barneveld, ten westen van de Pantherstellung.

Een paar weken later, na de capitulatie van Duitsland, gaat de familie dan eindelijk weer naar huis. Ze treffen er de boerderij aan, ernstig beschadigd en zonder huisraad, vee, machines of gereedschap. Moeder besluit om een bedrijfsleider in te huren omdat ze, zo zonder vader, geen mogelijkheid ziet om er zelfstandig opnieuw een goed functionerend boerenbedrijf van te maken. Johan kiest in de winter voor een geheel andere loopbaan: hij besluit bij een timmerman in de leer te gaan.

meer

Gerelateerde objecten

meer