Verhaal

Als je reist kom je nog eens ergens, dat geldt zeker voor de Utrechtse hovenier Jan Jongerius (1881-1941) van wie foto's bestaan uit Frankrijk, Oostenrijk, Londen, Venetië, en ook Algerije en Tunesië. Maar zijn betekenis schuilt er vooral in dat hij heel veel anderen het reizen mogelijk heeft gemaakt door zijn activiteiten als succesvolle autobrandstofhandelaar, benzinepompbouwer en Forddealer.

Jan, die uit een oud Utrechts geslacht van tuinders stamde, had in 1914 het hoveniersbedrijf aan de Kanaalweg langs het Merwedekanaal van zijn vader overgenomen. Door de mobilisatie was er werk genoeg: hij leverde groenten aan de Veldartilleriekazerne op de Leidseweg in Utrecht, aan schoolkeukens en de gemeentelijke voedseldistributie. Hij vervoerde zijn waren per kar maar bezat ook al een Ford. Benzine kocht je toentertijd bij de drogist in blikken. Maar misschien tankte Jan vanaf 1920 bij de allereerste straatpomp in Nederland (van Shell) die voor het oude hotel Pabst op het dorpsplein van Doorn stond.

Groenten en brandstof

Zijn hofstede lag aan het Merwedekanaal waar hij groenten, aardappelen en fruit teelde. Hij kwam  in 1918 in contact met het Amerikaanse Texaco dat een opslagplaats voor autobrandstof langs het kanaal had gekocht en zo de buur van Jan was geworden. Vanuit grote brandstoftanks aan het water vulde Texaco zijn ondergrondse voorraadvaten waar bovenop een met een handzwengel bediende benzinepomp stond. Jan sloot een overeenkomst en ging voor de Amerikanen vaten ingraven en pompen zetten. De groenteteelt zette hij gewoon voort.

Hij deed een volgende stap vooruit toen hij in 1926 dealer voor het Amerikaanse Fordconcern werd met showrooms, verkoopkantoren en garages, waaronder die aan de Utrechtse Leidseweg met zes benzinepompen en een centraal onderdelenmagazijn. Jongeriusgarages verschenen nu ook in Amsterdam en Arnhem. Zijn bedrijf werd een begrip; als het Utrechts Nieuwsblad verslag deed van een auto-ongeluk vermeldde de krant steevast dat het wrak was opgeruimd door "een takelwagen van Jongerius".

Het paard en de auto

Het succes van Jans bedrijf is te verklaren door zijn handelsgeest en ondernemingszin, maar op de achtergrond speelde nog iets anders. Het autobezit nam in de jaren twintig sterk toe en tellingen lieten zien dat vanaf 1920 het autoverkeer op de rijkswegen het aloude paard-en-wagen-vervoer begon te overvleugelen, vooral in de provincie Utrecht. Dat toegenomen autoverkeer was schadelijk voor het oude beklinkerde wegdek, onder meer doordat de rubberbanden het zand tussen de stenen wegzogen en lieten verwaaien. Het onderhoud aan de Nederlandse wegen was al lang veronachtzaamd omdat de middelen vooral ingezet werden voor het veelbelovende spoornet. Daarom was de uitvoering van een nieuw Rijkswegenplan vanaf 1927 een grote stimulans voor het groeiende autobezit en -verkeer.

De villa

Jan bracht zijn bedrijf onder in de N.V. Jan Jongerius. Op de plek van zijn oude hofstede aan het Merwedekanaal liet hij tussen 1936 en 1938 een opvallend complex in moderne stijl verrijzen. Kantoor, garagehallen en woonhuis voor het gezin boden trots onderdak aan zijn N.V. Inmiddels is het geheel gerestaureerd onder de naam "Villa Jongerius". 

Dit verhaal is onderdeel van de serie Als je niet reist, kom je nergens. Daarin gaan we door verhalen onderweg in de provincie Utrecht. Op welke manier reisde men in de afgelopen eeuwen in en door de provincie Utrecht? Wie trokken er rond er en wat heeft al die beweging gedaan met het Utrechtse landschap? Het komt allemaal aan bod.

Bronnen en meer lezen

- Santen, van B (2013) 'T komt in orde, het ware verhaal achter villa jongerius. Utrecht: Matrijs

- Schot, J.W., Lintsen, H.W., Rip, A. en Albert de la Bruhèze, A.A. (red.), Techniek in Nederland in de twintigste eeuw. Deel 5. Transport, communicatie. Stichting Historie der Techniek, z.p./ Walburg Pers, Zutphen 2002

- Schuursma, B (2000) Jaren van opgang, Nederland 1900-1930. Amsterdam: Uitgeverij Balans

 

Op de kaart

meer

verhalen

meer